Uitspraak van de Hoge Raad inzake de Peeters/Gatzen-vordering: sluitstuk op de Peeters/Gatzen-vordering met internationale aspecten?

23 februari 2021

Inleiding op de uitspraak van de Hoge Raad inzake de Peeters/Gatzen-vordering

Op 3 juli 2020 deed de Hoge Raad uitspraak in een zaak die eerder bij Het Hof van Justitie van de Europese Unie is geweest en waarin de vraag centraal stond of de Nederlandse rechter internationaal bevoegd is om kennis te nemen van een Peeters/Gatzen-vordering van de faillissementscurator. In deze blog bespreken wij deze zaak en bezien wij of dit arrest gezien kan worden als sluitstuk van de Peeters/Gatzen-vordering.

Wat is een Peeters/Gatzen-vordering?

Een Peeters/Gatzen-vordering is een vordering die door de faillissementcurator wordt ingesteld ten behoeve van de gezamenlijke schuldeisers. Kenmerkend aan de Peeters/Gatzen-vordering is de benadeling van de gezamenlijke schuldeisers en het feit dat de vordering wordt ingesteld tegen een derde. Deze derde is bij de benadeling betrokken en wordt geacht onrechtmatig te hebben gehandeld jegens de gezamenlijke schuldeisers (zie HR 8 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2269, r.o. 4.2.1).

Een Peeters/Gatzen-vordering vindt zijn oorsprong in de regels van de onrechtmatige daad (gemeenschappelijk burgerlijk recht), maar de (exclusieve) bevoegdheid van de curator om deze vordering ten behoeve van de gezamenlijke schuldeisers in te stellen, vloeit rechtstreeks voort uit de faillissementswet. Ook valt de opbrengst van de vordering in de faillissementsboedel (zie HR 8 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2269, r.o. 4.4.4).

Feiten van de zaak: de instelling van een Peeters/Gatzen-vordering door de curator

In casu ging het om een persoon die een deurwaarderspraktijk uitoefende in een BV. In september 2008 is door de betrokkene een bedrag van EUR 550.000,- overgeboekt van een kwaliteitsrekening in de zin van artikel 19 gerechtsdeurwaarderwet, die de vennootschap aanhield bij een bank in Nederland, naar een zichtrekening van de vennootschap bij een bank in België. Betrokkene heeft vervolgens niet veel later het overgeboekte bedrag contant opgenomen van de betreffende zichtrekening bij een filiaal van de bank in België. Vervolgens zijn zowel de betrokkene als de vennootschap failliet verklaard, welke faillissementen gezamenlijk worden afgewikkeld door een curator. Ten behoeve van de gezamenlijke schuldeisers, stelt de curator een Peeters/Gatzen-vordering in, ter hoogte van EUR 550.000,-, tegen de Belgische bank, wegens het meewerken aan het opnemen van het bedrag in contanten.

De curator diende deze Peeters/Gatzen-vordering in bij de Nederlandse rechter. In de procedure is de vraag gerezen of de Nederlandse rechter internationaal bevoegd is van de Peeters/Gatzen-vordering kennis te nemen, waarover uiteindelijk de Hoge Raad zich heeft moeten buigen. Op 8 september 2017 stelde de Hoge Raad een aantal prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie EU, waaronder de vraag of de Peeters/Gatzen-vordering van de curator onder de uitzondering van artikel 1 lid 2, aanhef en onder b Brussel I verordening valt.

Uitspraak van het Hof van Justitie EU over de Peeters/Gatzen-vordering en het materiële toepassingsgebied van de Brussel I verordening

Op 6 februari 2019 antwoordde het Hof van Justitie dat de Peeters/Gatzen-vordering onder het materiële toepassingsgebied van de Brussel I verordening valt. Allereerst overwoog het Hof van Justitie EU dat elke overlapping tussen de in de teksten van de Brussel I verordening en de Insolventieverordening vervatte rechtsregels en elk rechtsvacuüm moet worden vermeden (r.o. 24).

Het Hof van Justitie oordeelt dat indien een vordering onder de uitzondering van artikel 1 lid 2, aanhef, onder b Brussel I verordening valt en Brussel I dan dus niet van toepassing is, dat de vordering dan binnen de werkingssfeer van de Insolventieverordening valt, voor zover die betrekking hebben op het faillissement, akkoorden en andere soortgelijke procedures. Omgekeerd vallen vorderingen die niet onder artikel 3 lid 1 Insolventieverordening vallen binnen de werkingssfeer van de Brussel I verordening (r.o. 24).

Vervolgens overweegt het Hof van Justitie EU dat het begrip burgerlijke en handelszaken ruim wordt uitgelegd, terwijl de werkingssfeer van de Insolventieverordening niet ruim wordt uitgelegd (r.o. 25). Slechts ‘vorderingen die rechtstreeks voortvloeien uit een insolventieprocedure en daarmee nauw verband houden’ vallen buiten de werkingssfeer van de Brussel I verordening (r.o. 26).

In r.o. 28-30 van het arrest is de kern van de uitspraak gelegen. Volgens het Hof van Justitie is het doorslaggevende criterium om vast te stellen onder welk gebied een vordering valt, de rechtsgrondslag van de vordering en niet de procedurele context. Daarom moet worden nagegaan of het recht of de verbintenis waarop de vordering is gebaseerd, voortvloeit uit de gemene regels van het burgerlijk recht en het handelsrecht dan wel uit specifieke, afwijkende regels voor insolventieprocedures (r.o. 28). Hiertoe overweegt het Hof van Justitie vervolgens:

‘Dat na de opening van een insolventieprocedure een vordering wordt ingesteld door de in die procedure aangewezen curator en dat die curator in het belang van de crediteuren handelt, verandert immers in wezen niets aan de aard van die vordering die losstaat van de insolventieprocedure en ten gronde onderworpen blijft aan de regels van gemeen recht. Daarnaast is het volgens de rechtspraak van het Hof de intensiteit van het verband tussen een vordering in rechte en de insolventieprocedure die bepalend is voor de beslissing of de in artikel 1, lid 2, onder b), van [de Brussel I verordening, toevoeging IJI] genoemde uitsluiting moet worden toegepast’ (r.o. 29-30)

Op basis daarvan stelt het Hof van Justitie EU vast dat de Peeters/Gatzen-vordering zijn grondslag vindt in het gemene burgerlijk recht en niet in de specifieke regels van de insolventieprocedure, nu de Peeters/Gatzen-vordering een vordering uit onrechtmatige daad is (r.o. 32-37). Onvermijdelijk is dan de conclusie dat de Peeters/Gatzen-vordering binnen de werkingssfeer van de Brussel I verordening valt. 

Eindbeslissing Hoge Raad over de bevoegdheid van de Nederlandse rechter ten aanzien van de Peeters/Gatzen-vordering

Met dit arrest van het HvJ EU in de hand heeft de Hoge Raad arrest gewezen over de vraag naar de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter. De Hoge Raad oordeelt dat de Brussel I verordening van toepassing is: immers,

  • de Peeters/Gatzen-vordering valt onder het materiële toepassingsgebied,
  • vervolgens is voldaan aan het formele toepassingsgebied nu de verweerder woonplaats heeft in een EU lidstaat (België)
  • én de casus valt onder het temporele toepassingsgebied, vanwege de datum waarop de vordering is ingesteld.

Maar dan is de vraag: geeft de Brussel I verordening dan ook een bevoegdheidsgrond voor de Nederlandse rechter? Volgens de Hoge Raad is dat niet het geval. Als eerst is de forum rei rechter bevoegd op basis van de hoofdregel, artikel 2 Brussel I verordening, en dit is de Belgische rechter. Vervolgens moet onderzocht worden of de alternatieve bevoegdheidsgronden van artikel 5 Brussel I verordening dan wellicht een bevoegdheidsgrond voor de Nederlandse rechter opleveren. In casu betreft het een onrechtmatige daad en dus komt artikel 5 sub 3 Brussel I verordening in beeld. Op grond van die bepaling zijn bevoegd om te oordelen over vorderingen uit onrechtmatige daad de rechters van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan. De bepaling dient autonoom en strikt te worden uitgelegd. De Hoge Raad overweegt:

‘Zij berust op het bestaan van een bijzonder nauw verband tussen de vordering en de gerechten van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen, op grond waarvan het uit hoofde van een goede rechtsbedeling en nuttige procesinrichting gerechtvaardigd is dat deze gerechten bevoegd zijn’

De term ‘plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan’ kan verwijzen naar het ‘Erfolgsort’ als plaats waar de schade is ingetreden en het ‘Handlungsort’ als plaats van de gebeurtenis die met het schadebrengende feit in oorzakelijk verband staat’.

Het ‘Handlungsort’ ligt volgens de Hoge Raad in België, nu daar het geld in contanten van de zichtrekening is opgenomen (r.o. 5.3). De Nederlandse rechter kan dan ook niet internationaal bevoegd zijn op grond van dat criterium.

De vraag is dan vervolgens waar het ‘Erfolgsort’ is gelegen. Onder verwijzing naar HvJ EU Marinari/Lloyd’s Bank en HvJ EU Kolassa/Barclays Bank oordeelt de Hoge Raad vervolgens:

‘Het nadeel dat de gezamenlijke schuldeisers hebben geleden, bestaat erin dat het tegoed op de zichtrekening als verhaalsobject is verdwenen. Daarmee is de plaats waar die zichtrekening werd aangehouden, te weten Maasmechelen in België, de plaats waar de schade aanvankelijk is ingetreden. Uit de hiervoor in 5.4 weergegeven rechtspraak volgt dat het ‘Erfolgsort’ is gelegen in België. Het ‘Erfolgsort’ is niet in Nederland gelegen op de enkele grond dat de schuldeisers in Nederland financiële schade hebben geleden. Die schade is immers een gevolg van de aanvankelijk in België ingetreden schade. Daarom is voor bepaling van de internationale bevoegdheid niet van belang of in het onderhavige geval sprake is van andere aanknopingspunten met Nederland of andere bijzondere omstandigheden als hiervoor in 5.5 bedoeld.’ (r.o. 5.6)

Het ‘Erfolgsort’ levert dus evenmin internationale bevoegdheid op van de Nederlandse rechter. Dit brengt de Hoge Raad tot de slotsom dat de Nederlandse rechter geen internationale bevoegdheid kan ontlenen aan de Brussel I verordening. Let op dat in dit geval niet teruggevallen kan worden op het commune ipr, zoals het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (een veel gemaakte fout in de praktijk): hier houdt het op en de curator zal naar België moeten.

De Hoge Raad wijkt af van de conclusie A-G: Erfolgsort en de Peeters/Gatzen-vordering

Interessant is in dat verband de conclusie van de A-G bij de Hoge Raad. Daar waar de HR het ‘Handlungsort’ en ‘Erfolgsort’ als gelijkwaardige keuzes presenteert, lijkt de A-G ervan uit te gaan dat in het geval van financiële schade in beginsel het ‘Handlungsort’ in aanmerking komt en het ‘Erfolgsort’ slechts indien bijzondere omstandigheden aanwezig zijn. De A-G overweegt in dat kader:

‘Bij een Peeters/Gatzen-vordering gaat het om een vordering die de curator in de uitoefening van zijn taken en in het belang van de gezamenlijke schuldeisers heeft ingesteld. Het doel hiervan is om de verhaalsbenadeling die is veroorzaakt door het beweerdelijk onrechtmatig handelen van de derde te herstellen. Duidelijk is dat het om financiële schade gaat. Als bevoegdheidsgrondslag komt in beginsel slechts het ‘Handlungsort’ van art. 5 sub 3 EEX-Vo in aanmerking. Het Erfolgsort kan slechts als aanknopingspunt voor de bevoegdheid dienen indien daarvoor, zoals het HvJEU heeft overwogen, bijzondere omstandigheden aanwezig zijn.’ (nr. 3.14)

Verder schrijft de A-G dat de vaststelling of in de betreffende zaak sprake is van bijzondere omstandigheden, wat die omstandigheden dan wel zijn en aan de hand van welke aanknopingspunten uiteindelijk rechtsmacht moet worden bepaald, een feitelijke beoordeling vergt waarvoor in cassatie geen plaats is (nr. 3.15). De A-G concludeert dan ook na vernietiging van de bestreden arresten de zaak te verwijzen naar een ander Hof. De Hoge Raad heeft de zaak echter zelf afgedaan, mogelijk omdat de Hoge Raad niet uitgaat van de noodzaak van ‘bijzondere omstandigheden’ voor de toepassing van het ‘Erfolgsort’.

Afwijking van bepaalde lagere rechtspraak inzake de Peeters/Gatzen-vordering

Toen het Hof van Justitie EU de prejudiciële vraag van de Hoge Raad nog niet beantwoord had, zag de rechtbank Midden-Nederland geen aanleiding het antwoord van het Hof van Justitie op deze vragen af te wachten. De rechtbank oordeelde dat de Peeters/Gatzen-vordering rechtstreeks uit de insolventieprocedure voortvloeide en daarmee nauw samenhing. Aldus valt de vordering volgens de rechtbank onder de werkingssfeer van de Insolventieverordening en in dit geval niet onder die van de Brussel I bis-verordening (Rb. Midden-Nederland 23 mei 2018, ECLI:NL:RBMNE:2018:2163).

De rechtbank geeft in r.o. 2.7 de volgende opgave van redenen waarom zij niet gewacht heeft op het antwoord van het Hof van Justitie:

'i) zij als lagere rechter is niet gehouden om bij twijfel over de uitleg van Europees recht het oordeel van het Hof van Justitie daarover te vragen, ii) in de jurisprudentie van het Hof van Justitie aanknopingspunten zijn te vinden voor een beantwoording van deze vraag, iii) de beantwoording van de prejudiciële vragen nog geruime tijd op zich zal laten wachten en iv) een eventueel andersluidend oordeel van het Hof van Justitie in deze procedure kan worden hersteld door alsnog de onbevoegdheid uit te spreken, waardoor naar verwachting alleen de kosten voor het opstellen van nadere conclusies door partijen (zie de beslissing hierna) mogelijk onnodig zullen zijn gemaakt. Dat weegt naar het oordeel van de rechtbank niet op tegen de vertraging die anders in deze procedure zou optreden.’

Eerder wachtte de Rechtbank Oost-Brabant ook niet het antwoord van het Hof van Justitie af (Rb. Oost-Brabant 28 februari 2018, ECLI:NL:RBOBR:2018:880). De Rechtbank Oost-Brabant achtte zich in het haar voorgelegde geval hoe dan ook internationaal bevoegd ongeacht de beantwoording van de vragen door het HvJ EU.

De in deze blog besproken arresten van het Hof van Justitie EU en de Hoge Raad wijken af van bepaalde lagere rechtspraak inzake de Peeters/Gatzen-vordering, met name met de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland. In de arresten wordt nu meer duidelijkheid geboden over de kwalificatie van de Peeters/Gatzen-vordering in internationaal verband. In zoverre kunnen de arresten van het Hof van Justitie EU en de Hoge Raad een sluitstuk genoemd worden op dit specifieke ipr-vraagstuk rondom de Peeters/Gatzen-vordering.

Maar de arresten vormen geen algeheel sluitstuk op de Peeters/Gatzen-vordering in internationaal verband. Inmiddels heeft de rechtbank Midden Nederland immers op 2 september 2020, ECLI:NL:RBMNE:2020:3552 in het kader van de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter om kennis te nemen van een Peeters/Gatzen-vordering prejudiciële vragen gesteld aan het HvJ EU over het begrip ‘plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan’, in de zin artikel 7 aanhef sub 2 Brussel I bis (de opvolger van artikel 5 aanhef sub 3 Brussel I) en over de Rome II verordening. Wordt dus vervolgd!

Neem contact met ons op indien u vragen heeft over de Peeters/Gatzen-vordering

Heeft u vragen over een Peeters/Gatzen-vordering met internationale aspecten? Wij hebben hierover up-to-date expertise en via ons slimme kennissysteem kunnen wij u snel en kostenefficiënt verder helpen. Dien een adviesaanvraag in via de website of e-mail ons naar info@iji.nl. Binnen twee dagen ontvangt u een vrijblijvende kostenopgave. Heeft u eenvoudige vragen waarover u direct ondersteuning nodig heeft? Bel ons dan via de helpdesk.