Internationale kinderontvoering in tijden van corona

13 mei 2020

  1. De huidige coronacrisis raakt veel aspecten van onze samenleving, uiteraard gezondheid en economie, onderwijs en veiligheid. Ook op het juridische vlak heeft de coronacrisis gevolgen, bijvoorbeeld ten aanzien van de afbakening tussen grondrechten en gezondheid/veiligheid. In het kader van het familierecht signaleert de redactie van het FJR in een gezamenlijk geschreven editorial (FJR 2020/5) enkele gevolgen voor het (internationale) familierecht. Een van de vragen die daarbij naar voren is gekomen betreft de internationale kinderontvoering.

  2. Wat gebeurt er als de ouder bij wie het kind tijdelijk verblijft (bijvoorbeeld in Nederland, in het kader van een lang weekend of korte vakantie), weigert het kind terug te laten gaan naar het land waar het bij de andere ouder zijn gewone verblijfplaats heeft (bijvoorbeeld in Italië), met als argument dat het virus heviger woedt in het land waarnaar het kind terug zou moeten gaan? Is in deze situatie sprake van een ‘vasthouding’ in de zin van het Haags Kinderontvoeringsverdrag 1980 en kan door de ouder die het kind weigert terug te laten gaan met succes een beroep worden gedaan op artikel 13 lid 1 sub b van het verdrag? Met andere woorden, hoe gaan we om met het coronavirus als onderbouwing van de weigeringsgrond ernstig lichamelijk of geestelijk gevaar voor het kind?

  3. Het Haags Kinderontvoeringsverdrag. De doelstelling van het verdrag, waarbij behalve Nederland nog 100 andere staten partij zijn, is omschreven als: ‘in internationaal verband kinderen te beschermen tegen de schadelijke gevolgen van ongeoorloofd overbrengen of niet doen terugkeren en procedures vast te stellen, die de onmiddellijke terugkeer van het kind waarborgen naar de Staat waar het zijn gewone verblijfplaats heeft, alsmede de bescherming van het omgangsrecht te verzekeren’. Kinderontvoering volgens het verdrag is de situatie waarin een kind ongeoorloofd wordt overgebracht (overbrenging) en de situatie waarin een kind ongeoorloofd wordt achtergehouden (vasthouding). Vasthouding doet zich voor wanneer het kind na een vakantie bij de ene ouder niet wordt teruggebracht naar de andere ouder bij wie het kind woont en die aanvankelijk heeft toegestemd met het verblijf van het kind bij de andere ouder in dat andere land. Kort door de bocht gezegd, het verdrag is erop gericht dat het ontvoerde kind zo spoedig mogelijk teruggaat naar het land van zijn gewone verblijfplaats. Daar zal alles met betrekking tot gezag (bijvoorbeeld ouderlijke verantwoordelijkheid, vaststelling gewone verblijfplaats kind, omgang) beoordeeld moeten worden. Het belang van het kind is onder het verdrag altijd leidend. Wanneer partijen er zelf niet uitkomen, bijvoorbeeld wanneer mediation niet tot een oplossing leidt, zal de ouder die het kind terug wil hebben een rechterlijke procedure beginnen. Alleen in uitzonderlijke gevallen, kan dan door de rechter terugkeer van het kind geweigerd worden.

  4. Weigeringsgronden. Het verdrag kent een beperkt aantal weigeringsgronden, onder meer te vinden in artikel 13 lid 1 sub b. Hierin is geregeld dat wanneer een ernstig risico bestaat dat een ontvoerd kind door terugkeer te maken krijgt met lichamelijk of geestelijk gevaar of daardoor op andere wijze in een ondragelijke toestand wordt gebracht, dit voor de rechter een reden kan zijn om het teruggeleidingsverzoek af te wijzen. Kan nu het coronavirus in dit kader door de ontvoerende ouder worden opgevoerd? En hoe wordt in dit verband door de rechter het belang van het kind beoordeeld?

  5. De Engelse rechter (High Court of England and Wales, Family Division) heeft op 31 maart 2020 een uitspraak gedaan over precies deze kwestie. Moeder, vader en kind (12 jaar oud) hebben de Spaanse nationaliteit. Het kind heeft altijd in Spanje gewoond. De Spaanse rechter heeft bepaald dat moeder en vader gezamenlijk de ouderlijke verantwoordelijkheid hebben, dat de moeder de dagelijkse zorg over het kind heeft, dat het kind bij moeder woont, en heeft voor de vader een omgangsregeling vastgesteld. De moeder neemt (omstreeks 13 februari 2020) het kind mee naar Engeland zonder dat de vader dit weet en dus ook zonder zijn toestemming. Zij weigert het kind terug te laten gaan naar Spanje. De vader dient in Engeland een verzoek tot teruggeleiding volgens het verdrag in. De Engelse rechter oordeelt dat het kind haar gewone verblijfplaats heeft in Spanje, waar het haar hele leven heeft gewoond. Vervolgens concludeert de rechter dat sprake is van een ongeoorloofde overbrenging (dus: kinderontvoering) in de zin van het verdrag.  De moeder doet een beroep op de weigeringsgrond van artikel 13 lid 1 sub b en voert daarvoor verschillende argumenten aan, waaronder het risico dat het kind loopt om besmet te raken met het coronavirus op haar reis terug naar Spanje, terwijl daarnaast het virus in Spanje heviger woedt dan in Engeland hetgeen een verhoogde kans geeft dat het kind in Spanje besmet raakt, met alle gevolgen van dien. De rechter gaat hier echter niet in mee. De rechter overweegt dat internationaal reizen (per vliegtuig in deze zaak) inderdaad een verhoogde kans geeft om besmet te raken. Daar staat tegenover dat er nog maar weinig wordt gereisd tussen Spanje en Engeland, hetgeen het risico op besmetting op zich weer doet afnemen. Bovendien valt het kind niet in een risicogroep. Verder stelt de rechter vast dat hij niet in staat is te beoordelen welk land veiliger is voor het kind: in beide landen woedt het virus, op het moment waarop geoordeeld moet worden eist het virus in Spanje weliswaar meer slachtoffers dan in Engeland, maar in Engeland loopt het aantal besmettingen razendsnel op. In beide landen is sprake van een ernstige bedreiging van de gezondheid, maar de rechter ziet geen bewijs dat het ene land veiliger is voor het kind dan het andere land. Dat het kind als gevolg van de reis een verhoogde kans heeft besmet te raken wordt door de rechter wel erkend,  maar niet beoordeeld als lichamelijk of geestelijk gevaar in de zin van artikel 13 lid 1 sub b. Het kind moet onmiddellijk terug naar Spanje teneinde te voorkomen dat als gevolg van de coronacrisis verdergaande reisbeperkingen gaan gelden en terugkeer niet meer mogelijk wordt.  Tot zover een korte samenvatting van deze uitspraak, na te lezen: Re PT (A Child) [2020] EWHC 834 (Fam) (31 March 2020).

  6. Een lastige zaak: er moest snel in een ongekende situatie een beslissing worden genomen. Het coronavirus moest worden geduid als weigeringsgrond volgens het Haags Kinderontvoeringsverdrag, en wel in het licht van een lichamelijk of geestelijk gevaar voor het kind bij terugkeer (van Engeland naar Spanje). Daarvoor is een afweging gemaakt om te bepalen in welk land het kind meer beschermd zou zijn. Een eerste indruk is dat dit vrij globaal is gebeurd. Het is de vraag of dit voldoende is. Zo blijkt niet dat gekeken is naar in de twee landen in het kader van de coronacrisis genomen maatregelen ter bescherming van kinderen, bijvoorbeeld met betrekking tot gezondheidszorg, al dan niet naar school kunnen gaan. Of het belang van het kind, als uitgangspunt van het verdrag, voldoende is meegewogen komt niet naar voren. De rechter heeft, zoals het verdrag ook voorschrijft, wel snel en met behulp van online middelen gehandeld.

  7. Ook de rechtbank Den Haag (26 maart 2020; ECLI:NL:RBDHA:2020:2861) heeft al in een internationale kinderontvoeringszaak rekening gehouden met het coronavirus. Moeder, woonachtig in de VS, verzoekt onmiddellijke terugkeer van drie minderjarige kinderen. Haar verzoek is gebaseerd op het Haagse Kinderontvoeringsverdrag, waarbij Nederland en de VS partij zijn. Zij vraagt te bepalen dat vader de kinderen terugbrengt dan wel, indien hij dit nalaat, te bepalen op welke datum de vader de kinderen met de benodigde reisdocumenten aan de moeder zal afgeven zodat zij de kinderen zelf mee terug kan nemen naar hun gewone verblijfplaats in de VS. De rechtbank overweegt dat de ouders het gezamenlijk gezag over de kinderen hebben en daadwerkelijk uitoefenen, dat de kinderen onmiddellijk voor hun overbrenging naar Nederland hun gewone verblijfplaats in de VS hadden en dat de vader geen toestemming heeft gevraagd of gekregen van de moeder of van een rechtbank om met de kinderen naar Nederland te reizen en zich in Nederland te vestigen. De overbrenging van de kinderen naar Nederland is gedaan in strijd met het gezagsrecht van de moeder, zodat de rechtbank tot het oordeel komt dat de overbrenging naar Nederland aangemerkt dient te worden als ongeoorloofd in de zin van het verdrag. Op grond van artikel 12 verdrag dienen de kinderen onmiddellijk terug te gaan naar de VS. De vader voert tevergeefs verweer (hij doet wel een beroep op artikel 13 maar voert het corona-argument niet aan). De rechtbank beveelt dat de kinderen terug moeten naar de VS. Vervolgens bepaalt de rechtbank verder dat, gelet op de huidige situatie in verband met het coronavirus, indien teruggeleiding onmogelijk is omdat de vader de kinderen niet kan terugbrengen naar de VS of de moeder niet kan terugkeren met de kinderen naar de VS, de kinderen aan de moeder, die in verband met de procedure in Nederland is, in Nederland moeten worden afgegeven.

  8. Het laatste woord over internationale kinderontvoering en corona is nog lang niet gezegd. Er zullen vast nog vele zaken en uitspraken volgen waarin het coronavirus meegewogen zal worden bij de beslissing een kind al dan niet terug te doen keren. De Child Abduction Homepage van de Haagse Conferentie voor internationaal privaatrecht (https://hcch.net) bevat meer informatie over het verdrag. Daarin is ook opgenomen de Guide to Good Practice Child Abduction Convention: Part VI - Article 13(1)(b). In dit document is veel te vinden over de toepassing van dit belangrijke artikel.

  9. Daarnaast kunt u voor vragen over internationale kinderontvoering terecht bij het IJI. Onze specialist voor het internationale familierecht is Lisette Frohn, die ook over dit onderwerp regelmatig publiceert.