Herschikking Brussel IIbis

19 augustus 2016

Op 30 juni 2016 heeft de Europese Commissie het voorstel voor een herschikking van Brussel IIbis bekend gemaakt (COM(2016)411.final). Dit voor de internationale familiepraktijk belangrijke Europese instrument is sinds 1 maart 2005 van toepassing in alle toenmalige EU-lidstaten, behalve in Denemarken. Voor de ‘nieuwste’ lidstaten geldt een andere datum: de verordening werd in Bulgarije en Roemenië van toepassing op 1 januari 2007 en voor Kroatië op 1 juli 2013. De  uitwerking van de ‘Brexit’  zal te zijner tijd gevolgen hebben voor de toepassing van de verordening in het Verenigd Koninkrijk. 

Brussel IIbis betreft de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken (echtscheiding, scheiding van tafel en bed, nietigverklaring huwelijk) en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid (gezag en omgang). De verordening geeft verder aanvullende regels in het kader van het Haags Kinderontvoeringsverdrag 1980. De verordening bevat geen regels die het toepasselijke recht aanwijzen. Voor Nederland geldt dat de echtscheiding (scheiding van tafel en bed) beheerst wordt door artikel 10:56 BW. Voor sommige andere EU-lidstaten geldt de Rome III verordening (welke niet voor Nederland geldt). Ten aanzien van de ouderlijke verantwoordelijkheid is het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 voor de meeste EU-lidstaten, zo ook voor Nederland, de belangrijkste kenbron.

Wat houdt het voorstel in?

Waar het betreft het onderwerp ‘huwelijkszaken,’ wordt de status quo gehandhaafd. Van prangende problemen op dit terrein is de Commissie niet gebleken. De bepalingen inzake de bevoegdheid in huwelijkszaken zijn dan ook in het voorstel –op enige redactionele wijzigingen en verduidelijkingen na– ongewijzigd gebleven. Een ongewijzigde bevoegdheidsregeling betekent dat de ruime bevoegdheidscatalogus van artikel 3 is gehandhaafd, maar ook dat de forumkeuze niet wordt geïntroduceerd.  

Kinderen staan centraal bij de voorgenomen herschikking. Voorgesteld wordt om de juridische en administratieve procedures inzake ouderlijke verantwoordelijkheid (gezag, omgang) en kinderontvoering efficiënter en sneller te maken. Verder wordt voorgesteld om beter rekening te houden met het belang van het kind.

Voorstellen inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid: een aantal wijzigingen

Bevoegdheid

Brussel IIbis hanteert in artikel 8 lid 1 het beginsel van de perpetuatio fori (anders dan bijvoorbeeld het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996): een wijziging van de omstandigheid waaraan rechtsmacht wordt ontleend (in artikel 8: gewone verblijfplaats kind) heeft geen gevolgen voor de rechtsmacht van de rechter.  Eens bevoegd, blijft bevoegd.  Het voorstel laat het perpetuatio fori beginsel los. Het nieuwe artikel 7  bepaalt in lid 1 (thans: artikel 8 lid 1) dat bevoegd is de rechter van de gewone verblijfplaats van het kind, waarbij het thans in de tekst opgenomen peilmoment – “op het tijdstip waarop de zaak aanhangig wordt gemaakt” – geschrapt is. Toegevoegd wordt de regel dat wanneer het kind legaal van de ene lidstaat naar een andere lidstaat verhuist en daar een nieuwe gewone verblijfplaats krijgt, de rechter van de nieuwe gewone verblijfplaats bevoegd is. In aanhangige procedures kunnen de partijen overeenkomen dat de rechter waar de zaak reeds aanhangig is, bevoegd blijft tot een definitieve beslissing is gegeven.

Kinderontvoering

Bescherming van kinderen, ook in het kader van kinderontvoering, is een belangrijke doelstelling van de herziening. Verschillende wijzigingen worden dan ook op dit gebied voorgesteld. Zo wordt voorgesteld de teruggeleidingsprocedure efficiënter te laten verlopen. Daartoe dienen de volgende voorstellen:

a)     maximale termijn voor de procedure als geheel van 18 weken: max. 6 weken voor de centrale autoriteit om de aanvraag te verwerken; max. 6 weken voor de rechter in eerste aanleg; max. 6 weken voor hoger beroep.

b)    één keer hoger beroep.

c)     concentratie van rechtspraak.

d)    verduidelijken van bestaande regels, o.m. met betrekking tot het horen van het kind.

e)     meer samenwerking tussen de centrale autoriteiten.    

Horen van het kind

Invoering van de verplichting om het kind de mogelijkheid te geven zijn mening kenbaar te maken. Met de mening van het kind wordt rekening

gehouden afhankelijk van zijn leeftijd en mate van ontwikkeling (maturiteit). Het horen van het kind geldt zowel in zaken van gezag en omgang als in kinderontvoeringszaken.   

Afschaffing van het exequatur

Voorgesteld wordt het exequatur af te schaffen voor alle beslissingen die onder het bereik van de verordening vallen. De afschaffing van het exequatur wordt gecombineerd met procedurele waarborgen in het kader van de tenuitvoerlegging. De verordening zal gronden bevatten voor niet-erkenning en verzet tegen tenuitvoerlegging. De verwerende ouder krijgt aldus de middelen om te voorkomen dat een in de ene lidstaat genomen beslissing inzake ouderlijke verantwoordelijkheid ten uitvoer gelegd kan worden in een andere lidstaat.

Efficiëntere tenuitvoerlegging

Het voorstel bevat een aantal maatregelen om de tenuitvoerlegging van beslissingen efficiënter te laten verlopen.

Verduidelijken taken centrale autoriteit en meer samenwerking tussen de centrale autoriteiten

Het voorstel geeft een aantal bepalingen die op de werkwijze van de centrale autoriteit betrekking hebben. Zo wordt duidelijk gemaakt wie informatie of hulp kan vragen, om welke informatie of hulp het daarbij kan gaan, onder welke voorwaarden, etc.        

Wordt vervolgd!

Uiteraard mag niet worden vergeten dat het nu nog om een voorstel gaat. De Commissie zal met de lidstaten verder van gedachten wisselen over dit voorstel. Het IJI volgt deze belangrijke ontwikkeling op het gebied van het internationale familierecht en houdt u op de hoogte.

Heeft u vragen? Neem dan contact op via email (advies@iji.nl) of bel het IJI  op 070-3460974.  

Door Lisette Frohn (l.frohn@iji.nl)