Verbeteringen voor de toepassing van buitenlands recht in de Duitse procedure: inzichten voor de Nederlandse rechtspraktijk?

20 april 2018

M. Stürner, ‘Wie kann der Zugang zu ausländischem Recht in Zivilverfahren verbessert werden?’ ZVglRWiss 2018/117, p. 1-23.

 

Niet alleen in Nederland, maar ook over de grens leeft de discussie over de toepassing van buitenlands recht in de eigen juridische procedure. Begin 2018 verscheen in het Zeitschrift für Vergleichende Rechtswissenschaft (ZVglRWiss 117 (2018) p. 1-23) het artikel Wie kann der Zugang zu ausländischem Recht in Zivilverfahren verbessert werden? In dit artikel worden de resultaten opgesomd van het eindverslag van een onderzoek dat van 2013 tot 2017 is uitgevoerd aan het Konstanzer Institut für Rechtstatsachenforschung, zie Stürner/Krauß, Ausländisches Recht in deutschen Zivilverfahren. Eine rechtstatsächliche Untersuchung, Baden-Baden: Nomos 2018. Dit onderzoek is gebaseerd op 23 expertinterviews bij acht verschillende Amtsgerichten en zes verschillende Land- en Oberlandesgerichten in het Bundesland Baden-Württemberg.

Op grond van § 293 ZPO en rechtspraak van het Bundesgerichtshof wordt in Duitsland ambtshalve het buitenlandse recht vastgesteld en toegepast door de rechter, vgl. art. 10:2 BW in het Nederlandse recht. In het artikel worden de mogelijkheden verkend ter verbetering van de toegang tot buitenlands recht in de Duitse procedure.

Allereerst wordt in het artikel ingegaan op mogelijke verandering van processuele vereisten door middel van maatregelen die de last voor de rechtbank bij de vaststelling het buitenlandse recht verminderen. De mogelijkheid van de forum non conveniens-leer (de rechter verklaart zich onbevoegd vanwege het bestaan van een geschikter forum), versoepeling van de vereisten die worden gesteld aan de vaststelling van het buitenlandse recht en duidelijkheid in het recht door revisie bij een hogere rechter, zijn de drie onderwerpen die worden behandeld. Bij de versoepeling van de vereisten die worden gesteld aan de vaststelling van buitenlands recht wordt gedacht aan een beperking tot redelijke en evenredige inspanning voor de rechter bij deze vaststelling en de eventuele inzet van partijen bij de vaststelling. Geen van de drie veranderingen lijkt echter zonder nadelen te zijn.

Vervolgens wordt ingegaan op de toegang tot het buitenlandse recht. Drie onderwerpen waarbij problemen worden ondervonden, en waarbij behoefte bestaat aan verbetering, passeren de revue.

Ten eerste de toegang tot informatie over buitenlands recht. Daarbij worden vijf verschillende aspecten onderscheiden: 1) de rol die het internationaal privaatrecht in het rechtenonderwijs zou moeten spelen; 2) de mogelijke noodzaak voor cursussen over internationaal privaatrecht en de toepassing van buitenlands recht; 3) richtlijnen voor § 293 ZPO om buitenlands recht vast te kunnen stellen; 4) databanken met deskundigen voor buitenlands recht; 5) gebruik van databanken die buitenlands recht aanbieden.

Ten tweede wordt ingegaan op het gebruik van correspondenten (‘externe deskundigen’). Daarbij worden drie verschillende aspecten onderscheiden: 1) bevordering van het private netwerk van de rechter; 2) behoud van gerechtelijke ervaring bij afdelingswissel en het private netwerk van de wisselende rechter; 3) het Europese justitiële netwerk. Ten derde wordt ingegaan op institutionele toegang tot buitenlands recht. De daarin te onderscheiden aspecten zijn: 1) direct rechtsvragen kunnen stellen door het ene gerecht aan een ander gerecht van een vreemde staat en 2) de institutionalisering van deskundigenonderzoek.

Tot slot wordt in het artikel aandacht besteed aan mogelijke institutionele specialisering. Hierbij staat vooral de concentratie van verschillende zaken bij een gerecht centraal.

Het artikel biedt een interessant perspectief op de problemen die in de Duitse rechtspraktijk worden ondervonden bij de toepassing van buitenlands recht en biedt de kaders voor een discussie in Nederland over hoe wij hier beter buitenlands recht kunnen vinden en toepassen.