Internationale kinderontvoering (Iran). Verzoek tot teruggleiding minderjarige naar Iran afgewezen. 1-jaarstermijn verstreken en sprake van worteling van de minderjarige in Nederland.

10 augustus 2017

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2017:8480 

 

''Aangaande de vraag of al dan sprake was van ongeoorloofde overbrenging overweegt de rechtbank het volgende. In het door de vader overgelegde rapport van het IJI wordt onder meer naar voren gebracht dat het Iraanse recht ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid onderscheid maakt tussen twee rechtsvormen, te weten de hizanat (custody) en de wilayat (guardianship). De hizanat ziet op de zorg- en opvoedingsaspecten van het ouderlijk gezag en de wilayat ziet op het behartigen van vermogensrechtelijke belangen van de minderjarige en het toezicht op opvoeding (waaronder mede begrepen de religieuze opvoeding). Daarnaast mag volgens het IJI worden aangenomen dat de wilayat de bevoegdheid omvat de gewone verblijfplaats van het kind vast te stellen of te wijzigen, althans de instemming van de guardian is hiervoor vereist. Dit is de algemeen heersende rechtsopvatting in islamitische rechtstelsels, hoewel hierover naar Iraans recht geen (expliciete) wettelijke regels zijn te vinden. Wanneer de ouders gehuwd zijn en/of samenleven komt de hizanat beide ouders toe. Uit de door het IJI geraadpleegde bronnen mag worden afgeleid dat naar Iraans recht als uitgangspunt geldt dat de hizanat zowel bij de vader als de moeder rust, terwijl de wilayat uitsluitend aan de vader toekomt, of bij diens afwezigheid, bij de grootvader in vaderlijke lijn. Is het kind jonger dan zeven jaar oud en zijn de ouders (feitelijk) gescheiden, dan rust de hizanat met betrekking tot jongens en meisjes gedurende de eerste zeven jaar bij de moeder, tenzij de ouders hierover geen overeenstemming kunnen bereiken, in welk geval dit geschil, in het belang van het kind, zal moeten worden beslist door de rechter. Volgens het IJI is in de onderhavige zaak zeer aannemelijk dat naar Iraans recht zowel de vader als de moeder van rechtswege staande huwelijk en vanaf de geboorte van het kind het ouderlijk gezag in de zin van de hizanat hadden, terwijl voldoende lijkt vast te staan dat bij de vader uitsluitend de wilayat rust. Dat laatste betekent dat hij uiteindelijk beslist of het kind vanuit Iran naar Nederland reist. Toch zal volgens het IJI de omstandigheid dat de moeder een voorkeursrecht heeft met betrekking tot de hizanat naar Iraans recht ook meewegen. Het IJI concludeert ten slotte dat aannemelijk is dat de moeder vanaf de (feitelijke) scheiding van de ouders de hizanat heeft gehad, gelet op de leeftijd van het kind en daarmee naar Iraans recht enige inspraak had moeten hebben over een verhuizing van [minderjarige] . Tegelijkertijd lijkt het echter zeer aannemelijk dat de vader naar Iraans recht uiteindelijk bevoegd is om te beslissen over de gewone verblijfplaats van het kind buiten Iran, omdat zulks, naar in het algemeen wordt aangenomen in islamitische rechtsstelsels, verbonden wordt met het hebben van de wilayat.

De rechtbank zal aansluiting zoeken bij het IJI-rapport.''