Inbreuk op het verzorgingsrecht van de moeder, maar geen teruggeleiding naar Iran. Rechtbank volgt IJI-rapport over Iraans gezagsrecht.

09 augustus 2017

In de zaak speelt de vraag of al dan niet sprake was van ongeoorloofde overbrenging van het kind vanuit Iran naar Nederland door de vader. In het door de vader overgelegde rapport van het IJI wordt onder meer naar voren gebracht dat het Iraanse recht ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid onderscheid maakt tussen twee rechtsvormen, te weten de hizanat (custody) en de wilayat (guardianship). De hizanat ziet op de zorg- en opvoedingsaspecten van het ouderlijk gezag en de wilayat ziet op het behartigen van vermogensrechtelijke belangen van de minderjarige en het toezicht op opvoeding (waaronder mede begrepen de religieuze opvoeding). Daarnaast mag volgens het IJI worden aangenomen dat de wilayat de bevoegdheid omvat de gewone verblijfplaats van het kind vast te stellen of te wijzigen, althans de instemming van de guardian is hiervoor vereist. Dit is de algemeen heersende rechtsopvatting in islamitische rechtstelsels, hoewel hierover naar Iraans recht geen (expliciete) wettelijke regels zijn te vinden.

Volgens het IJI is izeer aannemelijk dat naar Iraans recht zowel de vader als de moeder van rechtswege staande huwelijk en vanaf de geboorte van het kind het ouderlijk gezag in de zin van de hizanat hadden, terwijl voldoende lijkt vast te staan dat bij de vader uitsluitend de wilayat rust. Dat laatste betekent dat hij uiteindelijk beslist of het kind vanuit Iran naar Nederland reist. Toch zal volgens het IJI de omstandigheid dat de moeder een voorkeursrecht heeft met betrekking tot de hizanat naar Iraans recht ook meewegen. Het IJI concludeert ten slotte dat aannemelijk is dat de moeder vanaf de (feitelijke) scheiding van de ouders de hizanat heeft gehad, gelet op de leeftijd van het kind en daarmee naar Iraans recht enige inspraak had moeten hebben over een verhuizing van [minderjarige] . Tegelijkertijd lijkt het echter zeer aannemelijk dat de vader naar Iraans recht uiteindelijk bevoegd is om te beslissen over de gewone verblijfplaats van het kind buiten Iran, omdat zulks, naar in het algemeen wordt aangenomen in islamitische rechtsstelsels, verbonden wordt met het hebben van de wilayat.

De rechtbank zoekt aansluiting bij het IJI-rapport. Dit betekent dat de rechtbank ervan uitgaat dat de hizanat reeds voor de overbrenging van [minderjarige] naar Nederland bij de moeder rustte. Anders dan de vader leidt de rechtbank uit het IJI-rapport niet af dat de vader zonder toestemming van of overleg met de moeder [minderjarige] mocht overbrengen naar Nederland en zijn gewone verblijfplaats mocht wijzigen, indien ervan uitgegaan wordt dat de wilayat bij vader zou liggen. Het IJI concludeert  dat, nu aannemelijk is dat de moeder vanaf de (feitelijke) scheiding van de ouders de hizanat heeft, zij daarmee naar Iraans recht enige inspraak had moeten hebben over een verhuizing. Doordat de vader [minderjarige] zonder overleg met en/of toestemming van de moeder naar Nederland heeft overgebracht heeft de vader naar het oordeel van de rechtbank inbreuk gemaakt op het verzorgingsrecht van de moeder. Nu niet in geschil is dat de vader niet met de moeder heeft overlegd en de moeder geen toestemming heeft gegeven voor de overbrenging van [minderjarige] naar Nederland en naar het oordeel van de rechtbank voldoende vaststaat dat het verzorgingsrecht (de hizanat) daadwerkelijk door de moeder werd uitgeoefend op het tijdstip van de overbrenging, dan wel zou zijn uitgeoefend, indien de overbrenging niet had plaatsgevonden, komt de rechtbank tot het oordeel dat de overbrenging van [minderjarige] naar Nederland aangemerkt dient te worden als ongeoorloofd in de zin van artikel 3 van het Verdrag.

Omdat niet in geschil is dat de vader niet met de moeder heeft overlegd en de moeder geen toestemming heeft gegeven voor de overbrenging van [minderjarige] naar Nederland en naar het oordeel van de rechtbank voldoende vaststaat dat het verzorgingsrecht (de hizanat) daadwerkelijk door de moeder werd uitgeoefend op het tijdstip van de overbrenging, dan wel zou zijn uitgeoefend, indien de overbrenging niet had plaatsgevonden, komt de rechtbank verder tot het oordeel dat de overbrenging van [minderjarige] naar Nederland aangemerkt dient te worden als ongeoorloofd in de zin van artikel 3 van het Verdrag.

Ingevolge artikel 12 lid 1 van het Haags Kinderontvoeringsverdrag wordt de onmiddellijke terugkeer van een kind gelast wanneer er minder dan één jaar is verstreken tussen de overbrenging of het niet doen terugkeren van een kind en het tijdstip van indiening van het verzoek bij de rechtbank.

Op grond van lid 2 van artikel 12 van het Verdrag wordt de terugkeer van een kind gelast, zelfs als de termijn van één jaar is verstreken, tenzij wordt aangetoond dat het kind inmiddels is geworteld in zijn nieuwe omgeving. Daarvan is in casu volgens de rechtbank sprake, onder verwijzing naar bevindingen uit het rapport van de bijzonder curator.

Zie verder voor de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 28 juli 2017 op rechtspraak.nl:

ECLI:NL:RBDHA:2017:8480