Gerechtelijke vaststelling ouderschap van overleden Nederlandse man over zijn in Nepal 'achtergebleven' dochter

21 februari 2018

Het instituut heeft in deze (schrijnende) vaderschapszaak opnieuw samengewerkt met het partnerinstituut in Lausanne, het Institut Suisse de Droit Comparé. Voor de volledige uitspraak zie: http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2017:16072

De man is op vroege leeftijd door de Nederlandse marine uitgezonden en heeft nadien grote moeite gehad met het accepteren van gezag en het bestaan in Nederland, zodat hij in landen in het Midden-Oosten verbleef. Verzoekster heeft van 1999 tot 2011 met de man samengewoond in Nepal. Tijdens deze relatie is een dochter geboren. Zij staat niet geregistreerd in Nepal. De man had de Nederlandse nationaliteit en heeft nooit een formele verblijfsvergunning in Nepal gehad. De man is in Nepal overleden. Verzoekster heeft sinds 2008 nierkanker en het kost haar moeite om de dochter alleen te onderhouden. De zus van de man ondersteunt verzoekster en de dochter financieel. De toekomst van het meisje in Nepal is onzeker, niet in de laatste plaats omdat zij groot risico loopt te worden ontvoerd om vervolgens in de prostitutie tewerkgesteld te worden. Het is in haar belang dat zij de Nederlandse nationaliteit krijgt en in Nederland verder kan wonen en studeren.

Naar Nederlands IPR is op grond van artikel 10:97 BW het Nepalese recht van toepassing op het verzoek om het vaderschap van de overleden man gerechtelijk vast te stellen. Dit recht is bovendien maar beperkt toegankelijk.

Het is volgens de rechtbank Den Haag voldoende aannemelijk geworden dat de procedure tot vaststelling van het vaderschap van een (overleden) (Nederlandse) man in Nepal onvoldoende met waarborgen is omkleed en de minderjarige dochter in een maatschappelijke potentieel onwenselijke positie kan brengen. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat uit het  rapport  geen bevestigend antwoord kan worden gegeven op de vragen welke procedure moet worden gevolgd en ook niet of het voeren van een procedure zal resulteren in de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van de man over de dochter in Nepal. Dit zou betekenen dat er tussen haar en de man geen familierechtelijke betrekking tot stand kan komen. Strikte toepassing van de verwijzingsregel van artikel 10:97 BW komt er in dat geval op neer dat de afstammingsrelatie niet in overeenstemming kan worden gebracht met de biologische werkelijkheid. Die gevolgtrekking moet, naar het oordeel van de rechtbank, in strijd worden geacht met artikel 8 EVRM.