Uitspraak over internationale bevoegdheid Nederlandse rechter ingeval van een zgn. Peeters/Gatzen-vordering

08 juni 2018

Dient de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter om kennis te nemen van een Peeters/Gatzen-vordering op grond van de (inmiddels verouderde) Insolventieverordening (verordening nr. 1346/2000) of op grond van de Brussel I bis-verordening (verordening nr. 1215/2012) te worden bepaald?

Een Peeters/Gatzen-vordering komt de curator toe ten behoeve van de gezamenlijke schuldeisers en kan worden ingesteld jegens een derde op de grond dat deze derde jegens de schuldeisers onrechtmatig heeft gehandeld. Het vorderingsrecht vindt zijn oorsprong dan ook in de regels van de onrechtmatige daad (gemeenschappelijk burgerlijk recht), maar de (exclusieve) bevoegdheid van de curator om deze vordering ten behoeve van de gezamenlijke schuldeisers in te stellen, vloeit rechtstreeks voort uit de faillissementswet. Ook valt de opbrengst van de vordering in de faillissementsboedel.

De Hoge Raad vond door deze gemengde aard van de Peeters/Gatzen-vordering dat redelijke twijfel bestond over de toepasselijke verordening en stelde prejudiciƫle vragen aan het Hof van Justitie (HR 8 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2269). Het Hof van Justitie heeft de vragen nog niet beantwoord. De Rechtbank Midden Nederland ziet echter geen aanleiding het antwoord van het Hof van Justitie op deze vragen af te wachten. De rechtbank oordeelde dat de Peeters/Gatzen-vordering rechtstreeks uit de insolventieprocedure voortvloeit en daarmee nauw samenhangt. Aldus valt de vordering onder de werkingssfeer van de Insolventieverordening en in dit geval niet onder die van de Brussel I bis-verordening (Rb. Midden-Nederland 23 mei 2018, ECLI:NL:RBMNE:2018:2163).

De rechtbank geeft in r.o. 2.7 de volgende opgave van redenen om niet te wachten op het antwoord van het Hof van Justitie: i) als lagere rechter is zij niet gehouden om bij twijfel over de uitleg van Europees recht het oordeel van het Hof van Justitie daarover te vragen, ii) in de jurisprudentie van het Hof van Justitie aanknopingspunten zijn te vinden voor een beantwoording van deze vraag, iii) de beantwoording van de prejudiciƫle vragen nog geruime tijd op zich zal laten wachten en iv) een eventueel andersluidend oordeel van het Hof van Justitie in deze procedure kan worden hersteld door alsnog de onbevoegdheid uit te spreken, waardoor naar verwachting alleen de kosten voor het opstellen van nadere conclusies door partijen (zie de beslissing hierna) mogelijk onnodig zullen zijn gemaakt. Dat weegt naar het oordeel van de rechtbank niet op tegen de vertraging die anders in deze procedure zou optreden.

Eerder wachtte de Rechtbank Oost-Brabant ook niet het antwoord van het Hof van Justitie af (Rb. Oost-Brabant 28 februari 2018, ECLI:NL:RBOBR:2018:880). De Rechtbank Oost-Brabant achtte zich in het haar voorgelegde geval hoe dan ook internationaal bevoegd ongeacht de beantwoording van de vragen door het HvJ.