Ontwikkelingen ten aanzien van de erkenning en tenuitvoerlegging van buitenlandse vonnissen

29 oktober 2020

Het Nederlandse internationaal privaatrecht wordt gekenmerkt door veel verschillende bronnen: internationale verdragen, Europese regelgeving, nationale wetgeving en ook nog steeds het ongeschreven recht. Daar komt bij dat de verschillende internationale verdragen en Europese regelgeving elk een eigen toepassingsgebied hebben, afhankelijk van het onderwerp van de rechtsvraag, de ruimte en de tijd. Dit maakt het internationaal privaatrecht een complex rechtsgebied. Dit geldt ook voor de specifieke tak van het internationaal privaatrecht die ziet op de erkenning en tenuitvoerlegging van buitenlandse gerechtelijke beslissingen en authentieke akten.

Een aantal voor de Nederlandse rechtspraktijk relevante bronnen ten aanzien van de erkenning en tenuitvoerlegging op het gebied van het vermogensrecht is de Brussel I bis-verordening, het Verdrag van Lugano (in relatie tot Zwitserland, IJsland en Noorwegen), het Haags Forumkeuzeverdrag 2005 (in relatie tot Mexico, Singapore en Montenegro), een aantal bilaterale verdragen, en, voor casus die buiten verdrag en verordening vallen, het Nederlandse commune internationaal privaatrecht met als belangrijke regel artikel 431 Rv (zie voor richtinggevende jurisprudentie t.a.v. dit artikel met name HR 26 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2838, NJ 2015/478, Gazprombank). Binnen het familierecht, specifieker: de echtscheiding en ouderlijke verantwoordelijkheid, is o.a. de Brussel II bis-verordening van groot belang.

Het recht inzake erkenning en tenuitvoerlegging staat niet stil. Zo zijn er twee ontwikkelingen die de afgelopen tijd bijzondere aandacht hebben gekregen:

Ten eerste, het in 2019 vastgestelde verdrag van de Haagse Conferentie voor internationaal privaatrecht: Convention of 2 July 2019 on the Recognition and Enforcement of Foreign Judgments in Civil or Commercial Matters (hierna: de Judgment Convention). Zoals al valt af te leiden uit de titel ziet het verdrag op de erkenning en tenuitvoerlegging van buitenlandse beslissingen in burgerlijke- en handelszaken. Doelstelling van het verdrag is voor eenieder de effectieve toegang tot het recht te bevorderen en op regels gebaseerde multilaterale handel en investeringen, en mobiliteit te faciliteren. De oplettende lezer zal zich onmiddellijk afvragen wat de verhouding is met de Brussel Ibis-verordening; aangezien deze verordening betrekking heeft op hetzelfde onderwerp. Het belangrijkste verschil is dat de Judgments Convention zal gelden in relatie tot zogenaamde derdelanden die partij zijn bij het verdrag en niet tussen landen binnen de Europese Unie onderling. Ook kent de Judgment Convention in artikel 2 meer uitzonderingen op de onderwerpen waarop het ziet dan de Brussel I bis verordening en kent het dus een nauwer toepassingsgebied.

Overigens is de Judgment Convention een aanvulling op het Haags Forumkeuzeverdrag van 2005; dit betekent dat beide instrumenten een regeling kennen over erkenning en tenuitvoerlegging van vonnissen, maar daar waar het Haags Forumkeuzeverdrag beperkt is tot gerechtelijke vonnissen afkomstig van een gerecht dat internationaal bevoegd was bij exclusieve forumkeuze, is de Judgment Convention ook van toepassing tussen verdragspartijen bij afwezigheid van een dergelijke exclusieve forumkeuze.

De Judgments Convention geldt op dit moment nog niet voor Nederland en is tot op heden alleen door Uruguay en Oekraïne ondertekend. Dit betekent echter niet dat het verdrag voor Nederland onbelangrijk zal blijven. Bij de Europese Commissie ligt een initiatief ter ondertekening van het verdrag door de Europese Unie; hetgeen betekent dat het verdrag bij goedkeuring van dit initiatief gaat behoren tot het ipr acquis van elke EU-lidstaat. Het voorstel tot het nemen van een beslissing staat gepland voor het laatste kwartaal van 2020.

De tweede ontwikkeling heeft betrekking op de BREXIT. Op 31 januari 2020 heeft het Verenigd Koninkrijk de Europese Unie verlaten. Op dit moment geldt een overgangsperiode waarin de EU-regelgeving, en dus ook de EU regelgeving over het internationaal privaatrecht, nog steeds geldt voor het Verenigd Koninkrijk. Deze overgangsperiode houdt aan tot en met 31 december 2020. Tot die tijd worden onderhandelingen gevoerd over de toekomstige verhouding tussen de Europese Unie en het Verenigd Koninkrijk. Ondanks de onduidelijkheid over deze toekomstige verhouding is het Verenigd Koninkrijk inmiddels wel toegetreden tot het Haags Forumkeuzeverdrag 2005 en het Haags Kinderalimentatieverdrag 2007. Deze verdragen zijn op dit moment al van kracht in het Verenigd Koninkrijk vanwege het (voormalige) EU-verband, en zullen na de overgangsperiode van kracht blijven voor het Verenigd Koninkrijk. Beide verdragen kennen regels met betrekking tot de erkenning en tenuitvoerlegging van buitenlandse vonnissen. Het is duidelijk dat met de inwerkingtreding van deze twee verdragen voor het Verenigd Koninkrijk niet alle rechtsgebieden zijn ondervangen. Welke nadere regels inzake erkenning en tenuitvoerlegging, en met name de eventuele toepassing van de Brussel I en II bis-verordeningen, tussen de EU en het VK zullen gelden is dan ook vooralsnog niet met zekerheid te zeggen.

Het IJI volgt de bovenstaande twee ontwikkelingen op de voet. Daarnaast zijn de medewerkers van het IJI betrokken bij het door de Europese Commissie gefinancierde onderzoeksproject: Regulation BIa: a standard for free circulation of judgments and mutual trust in the EU (JUDGTRUST), DG Justice (JUST-JCOO-AG-2017), waarin ‘best practices’ en richtlijnen voor de interpretatie en de toepassing van de Brussel I bis-verordening worden opgesteld. Het project wordt gecoördineerd door het Asser Instituut met als partners de Universität Hamburg, de Universiteit Antwerpen en het Internationaal Juridisch Instituut. Eerder werkte het IJI samen met het Asser Instituut (Project Leader), de Universiteit Utrecht, Universiteit Gent en de Universiteit van Valencia aan een onderzoek over de toepassing van de Brussel II bis-verordening: Cross-Border Proceedings in Family Law Matters before National Courts and de CJEU.

David Althoff is onze specialist op het gebied van de erkenning en tenuitvoerlegging van buitenlandse beslissingen. Op dit moment werkt hij aan een proefschrift over de grondslagen van Nederlandse commune recht inzake erkenning en tenuitvoerlegging van buitenlandse vonnissen op het gebied van het vermogensrecht. Voor vragen over het IPR procesrecht kunt u in het kader van de Helpdesk vrijblijvend telefonisch contact met hem opnemen via: 070 3109 173.