Sjoemelen met emissiegegevens door Volkswagen levert bevoegdheidsgronden op voor schadevergoedingsacties uit onrechtmatige daad in lidstaten waar deze auto’s worden verkocht – noot bij Hof van Justitie 9 juli 2020, C-343/19 ‘Volkswagen’

06 november 2020

Contextschets van de Volkswagen zaak C-343/19

1. Het zal niemand zijn ontgaan; eind 2015 werd onthuld dat Volkswagen de emissiegegevens van hun voertuigen heeft gemanipuleerd, waardoor deze voertuigen ‘groener’ en duurzamer leken dan dat zij daadwerkelijk waren. Dit heeft geleid tot diverse rechtszaken, waaronder privaatrechtelijke schadevergoedingsacties van consumenten die door de aankoop van dergelijke voertuigen benadeeld werden.

Een grote groep van deze consumenten bevindt zich in Oostenrijk en heeft zich, via een soort consumentencollectief, gewend tot de Oostenrijkse rechter ter verkrijging van schadevergoeding uit onrechtmatige daad. De schade van de consumenten zou erin bestaan dat zij, indien zij kennis hadden gehad van de manipulatie in kwestie, de voertuigen niet of minstens tegen een 30% lagere prijs zouden hebben gekocht: het verschil tussen de feitelijke marktwaarde en werkelijk betaalde aankoopprijs vormt dan ook de schade die voor vergoeding in aanmerking zou komen.

De Oostenrijkse rechter vraagt zich echter af of hij wel internationale bevoegdheid kan aannemen, gelet op de vestigingsplaats van Volkswagen in Duitsland en het feit dat de manipulatiesoftware in Duitsland in de voertuigen werd geïnstalleerd. De Oostenrijkse rechter heeft daarop prejudiciële vragen voorgelegd aan het Hof van Justitie EU. Op 9 juli 2020 oordeelt het Hof dat het wel degelijk mogelijk is internationale bevoegdheid aan te nemen in een dergelijke casus. In deze blog wordt dieper ingegaan op deze uitspraak.

Internationale onrechtmatige daad en de Brussel Ibis-Verordening

2. Het ipr-instrument dat ten grondslag ligt aan het prejudiciële vraagstuk in de Volkswagen zaak (C-343/19) is de Brussel Ibis-Verordening. De hoofdregel van de Brussel Ibis-Verordening is dat de rechter bevoegd is van de woon- of vestigingsplaats van de verweerder. In het geval van een onrechtmatige daad geldt een aanvullende bevoegdheidsregel die een extra rechter, naast de rechter van de woon- of vestigingsplaats van de verweerder, op kan leveren. Deze bevoegdheidsregel ligt vervat in artikel 7 lid 2 Brussel Ibis-Verordening en luidt als volgt:

‘Een persoon die woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, kan in een andere lidstaat voor de volgende gerechten worden opgeroepen: ten aanzien van verbintenissen uit onrechtmatige daad, voor het gerecht van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen.’

3. Er is inmiddels een indrukwekkende rits van rechtspraak ontstaan ten opzichte van de vraag wat er precies moet worden begrepen onder ‘de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan’. De eerste keer dat het Hof zich hierover boog was in 1976 in de zogeheten ‘Bier’-zaak.

Heel grof gezegd ging het hier om een afvallozing in de Rijn in Frankrijk die schade toebracht aan agrarisch gebied rond de Rijn in Nederland dat werd bewerkt door Nederlandse boeren. Het Hof van Justitie maakte hier duidelijk dat er een verschil bestaat tussen de plaats van de schadeveroorzakende handeling (in casu in Frankrijk) en de plaats waar de schade intreedt (in casu in Nederland) en dat de eisende partij kan kiezen de zaak in te leiden voor één van deze twee plaatsen.

4. Dit was een baanbrekend arrest en het heeft geleid tot een paradigma in het internationale onrechtmatige daadsrecht. In veel arresten die daarop volgden heeft het Hof telkens verfijningen en verdere nuances op dit paradigma aangebracht. Gelet op de ruime waaier van casus die kunnen ontstaan onder de noemer van de ‘internationale onrechtmatige daad’ (anders dan de Rome II-Verordening, maakt de Brussel Ibis-Verordening geen onderscheid tussen verschillende typen onrechtmatige daad), lijkt deze rechtspraak soms wat casuïstisch en ontoegankelijk maar er is een aantal gemeenschappelijke aspecten uit te destilleren waarmee het Hof standaard rekening houdt bij het oordeel. Dit zijn:

  • Primaire vs. gevolgschade: de plaats van de ingetreden schade kan alleen tot bevoegdheid leiden aldaar indien de schade gekwalificeerd kan worden als primaire schade en heeft dus geen betrekking op de schadelijke gevolgen van een feit dat reeds elders daadwerkelijk ingetreden schade heeft veroorzaakt (klassiek in dat verband is de Marinari zaak C-364/93);
  • Directe vs. indirecte schade: de plaats van de ingetreden schade kan alleen tot bevoegdheid leiden aldaar indien de schade gekwalificeerd kan worden als directe schade en heeft dus geen betrekking op schade die slechts het indirecte gevolg is van de schade die oorspronkelijk is geleden door andere personen, die rechtstreeks zijn getroffen door schade die is ingetreden op een andere plaats dan waar de indirect gelaedeerde achteraf schade heeft ondervonden (klassiek is de Dumez zaak C-220/88).
  • Materiële vs. zuivere vermogensschade: de plaats van de ingetreden schade kan alleen tot bevoegdheid leiden aldaar indien de schade gekwalificeerd kan worden als materiële schade en niet als zuivere vermogensschade (klassiek is de Kronhofer zaak C-168/02).

Het leidende beginsel bij deze deelregels is dat de  internationale bevoegdheidsverdeling voorzienbaar en voorspelbaar moet blijven voor partijen en dat er dus grenzen bestaan ten opzichte van de interpretatie van artikel 7 lid 2 Brussel Ibis-Verordening (verg. nr. 15 considerans Brussel Ibis).

Artikel 7 lid 2 Brussel Ibis-Verordening en de Volkswagen zaak (C-343/19)

5. In de Volkswagen zaak herhaalt het Hof bovenstaande criteria eveneens en oordeelt dat een beroep kan worden gedaan op de bevoegdheidsgrond van artikel 7 lid 2 Brussel Ibis-Verordening, hetgeen erop neerkomt dat de consumenten dus inderdaad voor de Oostenrijkse rechter hun zaak kunnen voorzetten. Ten opzichte van de deelregel ‘materiële vs. zuivere vermogensschade’ had het Hof overigens nog wel wat tekst en uitleg nodig; want, zou niet gezegd kunnen worden dat consumenten slechts zuivere vermogensschade lijden en daardoor geen beroep kunnen doen op de aanvullende bevoegdheidsgrond van artikel 7 lid 2 Brussel Ibis-Verordening? Dit was ook duidelijk de veronderstelling van de Oostenrijkse rechter die de prejudiciële vraag had voorgelegd. Volgens het Hof is hiervan geen sprake omdat het een waardevermindering van een materieel goed, het voertuig, betreft. Meer specifiek oordeelt het Hof:

‘Het is juist dat de schadevordering in het hoofdgeding is gericht op de verkrijging van een vergoeding voor de waardevermindering van de betrokken voertuigen, die wordt geraamd op 30% van de koopprijs ervan, dat wil zeggen een kwantificeerbare financiële vergoeding. Zoals de Commissie in haar schriftelijke opmerkingen heeft aangegeven, betekent het feit dat de schadevordering wordt uitgedrukt in euro evenwel niet per definitie dat er sprake is van zuivere vermogensschade.’

Dit vormt een belangrijke nuance op de regel dat het niet mag gaan om zuivere vermogensschade, zoals dit bijvoorbeeld eerder een stokje stak voor de vorderingen van aandeelhouders die als gevolg van de waardevermindering van de aandelen een vermogensvermindering op hun bankrekeningen waarnamen.

6. Tot slot is nog interessant op te merken dat het Hof in casu geen redenen ziet om een meer beperkende uitleg te geven aan artikel 7 lid 2 Brussel Ibis-Verordening op grond van de algemene beginselen van de voorspelbaarheid en voorzienbaarheid van de bevoegdheidsverdeling. AG Campos Sánchez-Bordona die conclusie nam onder deze zaak dacht daar namelijk anders over. Zo nam de AG een extra armslag op grond van deze algemene beginselen door te concluderen dat artikel 7 lid 2 Brussel Ibis-Verordening in casu op zou kunnen gaan, maar wel enkel ‘indien ook de overige specifieke omstandigheden van het geval bijdragen aan de toekenning van bevoegdheid’. Dergelijke omstandigheden zouden volgens de AG ‘niet alleen omstandigheden met betrekking tot het slachtoffer moeten omvatten, maar ook een aantal aanwijzingen waaruit blijkt dat de verwerende partij voornemens was om haar voertuigen te verkopen in de lidstaat waarvan de bevoegdheid ter discussie staat’. Het Hof is hierin dus wat harder en overweegt expliciet dat, gelet op de omstandigheden in onderhavige zaak, de door het Hof gegeven uitleg van artikel 7 lid 2 Brussel Ibis-Verordening

‘in overeenstemming is met de in overweging 15 [considerans Brussel Ibis] genoemde doelstelling van voorspelbaarheid van de bevoegdheidsregels, aangezien een in een lidstaat gevestigde autofabrikant die zich schuldig maakt aan onrechtmatige manipulaties van in andere lidstaten in de handel gebrachte voertuigen, redelijkerwijs mag verwachten te worden opgeroepen voor de gerechten van die lidstaten (…). Wanneer een dergelijke autofabrikant de hem geldende wettelijke voorschriften bewust schendt, moet hij namelijk verwachten dat de schade zich voordoet op de plaats waar het betrokken voertuig wordt aangekocht door een persoon die ervan mocht uitgaan dat dat voertuig aan die voorschriften voldeed en vervolgens vaststelt dat hij beschikt over een gebrekkig goed van lagere waarde’.

7. De Volkswagen zaak (C-343/19) vormt een nieuwe loot aan de al omvangrijke stam van artikel 7 lid 2 Brussel Ibis-Verordening inzake het internationale onrechtmatige daadsrecht. Ziet u door de bomen en loten het bos niet meer? Leg uw zaak dan vrijblijvend voor aan onze specialist op dit gebied Fieke van Overbeeke; bel of stuur haar een appje op 06-13160332 of mail naar f.van.overbeeke@iji.nl.