Vereniging RIMO symposium 2018

29 juni 2018

Op 28 juni 2018 heeft de vereniging RIMO wederom een buitengewoon boeiend symposium georganiseerd in de Leidse Sterrenwacht. Anders dan in voorgaande jaren waren dit jaar geen rechtsfiguren of leerstukken uit het islamitische recht aan bod, maar stond centraal de rechtspositie van ‘niet-moslim minderheden’ – in brede zin- in het Midden-Oosten (en Noord-Afrika), zo liet Susan Rutten (bijzonder Hoogleraar Islamitisch Familierecht in een Europese Context en Universitair Hoofddocent Privaatrecht, in het bijzonder Internationaal Privaatrecht) het publiek weten.

Wie wil trouwen, scheiden of als ouder beslissingen wil nemen over kinderen, is in het Midden-Oosten veelal afhankelijk van de interpretaties van eeuwenoude doctrines gebaseerd op heilige boeken door religieuze rechters en rechtsgeleerden. Dat geldt niet alleen voor landen als Egypte en Libanon, maar ook voor Israël. Opteren voor een niet-religieus, seculier personeel statuut is in het Midden-Oosten in veel gevallen dan ook eigenlijk geen optie. Of toch wel? Dit was een vraag die vaak opkwam tijdens het symposium.

Volgens professor Karayanni (Hebrew University, Israel) onthoudt de Joodse staat zich, behoudens enkele verboden zoals het polygamieverbod, in het algemeen van inmenging in het islamitische familierecht. In die zin zou je Israël als Joodse staat volgens hem in ieder geval ‘liberaler’ noemen dan Iran, waar de islam staatsgodsdienst is. Maar van een Westerse democratie is volgens deze hoogleraar in Israël evenmin sprake. Joodse familierechtelijke regels worden strikt toegepast op de joodse meerderheid. Ten aanzien van minderheden is er juist weinig regulering:  meer staatsinmenging in het familierecht van minderheden (en sowieso onderzoek!) zou aangewezen kunnen zijn, aldus Karayanni. Meer bemoeienis van een wetgever die door sommigen als bezetter wordt gezien met een emotioneel en cultureel beladen rechtsgebied ligt echter uiteraard politiek gevoelig. Dat verklaart wellicht (althans ten dele) waarom familierechtelijke hervormingen weinig prioriteit hebben bij beleidsmakers, niet alleen bij de Israëlische wetgever maar ook bij de Palestijnse autoriteiten.

Ook in Libanon heeft het doorvoeren van familierechtelijke hervormingen zelden prioriteit. Hoewel ook een land als Libanon partij is bij mensenrechtenverdragen, waaronder het Kinderrechtenverdrag van de VN, worden deze restrictief uitgelegd, aldus Imen Gallala-Arndt (Max Planck instituut Halle). Deels is dat te verklaren door reserveringen bij deze verdragen die gemaakt zijn door de Libanese regering.

Leila Jordens-Cotran neemt ons mee in de rechtsontwikkeling van het familierecht in Libanon vanaf de Ottomaanse periode waarin de soennieten het nog voor het zeggen hadden. Het land kent nu geen officiële staatsgodsdienst, maar van een seculier familierecht is evenmin sprake. Er is sprake van maar liefst zeventien religieuze familierechtelijke stelsels, een aantal dat deels te herleiden is tot de vele denominaties van de substantiële christelijke minderheid. Het rechtspluralisme berust op een decreet uit de tijd van het Franse mandaat. Op grond daarvan wordt een delicaat evenwicht tussen de verschillende religieuze groeperingen in stand gehouden. Nergens voor kiezen is geen optie. Hoewel seculiere Fransen en in Frankrijk geschoolde Libanese juristen de mogelijkheid van een civiel seculier familierecht reeds gedurende de periode van het Mandaat een goed idee leken te vinden, is deze rechtspolitieke keuze indertijd en ook na de onafhankelijkheid niet of nauwelijks nader ontwikkeld. Sinds 2013 erkent de Libanese regering een in het buitenland gesloten huwelijk tussen een sji-iet en een soenniet en lijkt het voor stellen dus ook niet meer nodig om een marriage package deal naar Cyprus te boeken om aan het persoonlijk statuut te ‘ontsnappen,’ maar zij die hiervoor kiezen nemen wel de hoon van religieuze leiders op hun hals.

Na de pauze is Maaike Voorhoeve (UvA) aan het woord over ‘interreligieuze huwelijken in Tunesië.’ Tunesië kent weinig religieuze minderheden, maar er is wel sprake van veel gemengde huwelijken tussen westerlingen en Tunesiërs en tussen Tunesiërs en echtgenoten uit de naburige landen.  Voorhoeve heeft veel empirisch onderzoek daarover gedaan bij de rechtbank Tunis. Hoewel de Tunesische Familiewet (1956) in de Arabische wereld bekend staat als betrekkelijk 'liberaal' en 'modern', kan aan de rechtspraktijk het verwijt van een ongelijke behandeling gemaakt worden, bijvoorbeeld waar het aankomt op de bewijswaardering door de rechter wanneer een Westerse vrouw zich beroept op huiselijk geweld en wanneer een armlastige Tunesische vrouw dit zou doen. Wat de gevolgen zijn van de val van het regime van Bourguiba naar aanleiding van de Arabische Lente in 2011, valt volgens Voorhoeve moeilijk te zeggen, temeer omdat de Tunesische rechter van geval tot geval beslist (casuïstiek) en in beginsel zich niet gebonden hoeft te achten aan precedenten.  Interessant zijn ook de casussen ontleend aan het erfrecht voor niet-moslims; hier lijkt sprake te zijn van rechtsongelijkheid als gevolg van religieuze verschillen in ‘gemengde huwelijken.’ Ook het niet hebben van een Tunesische nationaliteit kan nadelig uitpakken in bepaalde familierechtelijke kwesties. Een gang naar de wachtkamer van de hoogste moefti om jezelf (vooraf!) tot moslim te verklaren bood tot voor kort vaak uitkomst voor veel familierechtelijke kwesties in deze ‘gemengde huwelijken.’

De rechtshistorische ontwikkeling van het familierecht van de Verenigde Arabische Emiraten staat centraal in het verhaal van Rehanna Nurmohamed (Universiteit Leiden). Het land heeft zich in de twintigste eeuw getransformeerd van een islamitische stammensamenleving - waarin familiekwesties vaak in de privésfeer werden beslecht en de rechtspraak bestond uit ‘diver courts’ vanwege de handel van parelvissers- van enkele honderdduizenden mensen tot een ogenschijnlijk moderne en liberale staat van ruim negen miljoen inwoners, maar waar ruim 85% van de bevolking geen staatsburger is (en dit wsch. ook niet zal kunnen worden). Wanneer buitenlandse werknemers zich vestigen met hun gezin in de Emiraten, zijn zij zich veelal niet bewust van de verschillen tussen de emiraten en dat zij te maken kunnen krijgen met de toepassing van islamitisch familierecht, dit ondanks het bestaan van een zgn. ‘free zone’ in het relatief liberale Dubai. Dergelijke zaken vinden wij ook terug in de adviespraktijk van het IJI. Wordt er, bijvoorbeeld, geen rechtskeuze gemaakt en is er sprake van een eerste huwelijksdomicilie in Dubai van twee echtgenoten met verschillende nationaliteiten, dan kan dit bij een huwelijksvermogensrechtelijke afwikkeling van het huwelijk leiden tot toepassing van dit islamitisch huwelijksvermogensrecht. Ook een relevant inzicht voor de Nederlandse rechtspraktijk dus.

Nadia Sonneveld sluit af met een mooie presentatie over de ontwikkeling van het Koptische familierecht van Egypte. Dat doet zij aan de hand van een casus over een Koptische vrouw die, enigszins weemoedig terugkijkend naar de vrijere tijd waarin religie minder van belang leek te zijn, zich tot de islam bekeerde om buiten de werking te vallen van de echtscheidingsgronden van het Koptische recht. Waar het islamitische recht op bepaalde punten is gemoderniseerd in Egypte, bijvoorbeeld op het gebied van de verstoting door de man, houden de leiders van Koptische kerk vast aan een strenge leer ten aanzien van echtscheiding, waardoor dit voor de rechtzoekende behoudens gevallen waarin overspel kan worden bewezen, veelal onmogelijk blijft. Als een Koptische man/vrouw zich tot de Islam bekeert om te kunnen scheiden, zal daar geen toetsing plaatsvinden om te kijken hoe oprecht hij/zij is over zijn of haar bekering. Dit geldt wel als hij/zij zich tot een andere denominatie wil bekeren.  

Praktisch en 'rekkelijk' omgaan met personele statuten waar mogelijk? Het vergt in elk geval een dosis inventiviteit van de rechtssubjecten wanneer men niet zonder meer in gemoede altijd overtuigd is van het onwankelbaar gelijk van de uitleg van de 'preciezen.'