Verwijzing ogv Artikel 15 Lid 5 Brussel II Bis

22 november 2016

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2016:5122

 

Op grond van artikel 8 Verordening Brussel II bis zijn bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het moment dat de zaak aanhangig werd gemaakt. Ingevolge het bepaalde in artikel 15 lid 1 Verordening Brussel II bis kunnen de gerechten van een lidstaat die bevoegd zijn om ten gronde over een zaak te beslissen bij wijze van uitzondering, indien naar hun inzicht een gerecht van een andere lidstaat waarmee het kind een bijzondere band heeft beter in staat is de zaak of een specifiek onderdeel daarvan te behandelen, in het belang van het kind het gerecht van een andere lidstaat verzoeken zijn bevoegdheid overeenkomstig lid 5 uit te oefenen. Het hof overweegt hieromtrent dat de moeder en de kinderen wonen sinds 1 september 2015 feitelijk in Nederland, dat de vader eveneens woont in Nederland en dat partijen en de kinderen de Nederlandse nationaliteit hebben. De moeder is naar Nederland teruggekeerd in verband met de verzorging van haar in Nederland wonende moeder die een zware vorm van Alzheimer heeft. Sinds kort gaan de kinderen in Nederland naar school. De moeder heeft in Nederland contact gehad met de leerplichtambtenaar, maatschappelijk werk, Bureau Slachtofferhulp, de raad en Veilig Thuis. Het hof oordeelt in licht dat sprake is van een bijzondere band van voornoemde kinderen met Nederland waardoor de rechter alhier beter dan de rechter te Antwerpen in staat is om de zaak in het belang van de kinderen te behandelen.

Op grond van artikel 21 lid 1 Verordening Brussel II bis wordt de beslissing van de Belgische rechter dat partijen gezamenlijk belast zijn met de uitoefening van het ouderlijk gezag in Nederland erkend, zonder dat daartoe enigerlei procedure vereist is. Het hof stelt aldus vast dat de moeder en de vader ingevolge voornoemd vonnis van de jeugdrechtbank Turnhout van 27 juni 2008 gezamenlijk het ouderlijk gezag over de kinderen uitoefenen. Het hof overweegt verder dat het akkoord voor de ouders een doeltreffend middel is gebleken om uitvoering te geven aan het gezamenlijk gezag. Nu gebleken is dat dit akkoord ook thans in Nederland in voorkomende gevallen goed uitwerkt, is er naar het oordeel van het hof geen sprake van een onaanvaardbaar risico dat de kinderen klem of verloren zouden raken tussen de ouders als gevolg van het gezamenlijk gezag.