Actualiteiten Europees IPR familierecht

16 maart 2016

Op 1 januari 2016 is voor een periode van zes maanden het Nederlands voorzitterschap van de Europese Unie begonnen. Over een aantal IPR-onderwerpen zal in deze periode gesproken worden. Een van die onderwerpen is de Brussel IIbis Herschikking.

Brussel IIbis betreft de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken (echtscheiding, scheiding van tafel en bed, nietigverklaring huwelijk) en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid (gezag en omgang). De verordening is sinds 1 maart 2005 van toepassing in alle EU-lidstaten, behalve in Denemarken. De verordening bevat geen regels die het toepasselijke recht aanwijzen. Sinds enige tijd wordt gewerkt aan een mogelijke aanpassing van Brussel IIbis (herschikking). Na de openbare raadpleging door de Commissie over de toepassing van de verordening, waarvoor ook Nederland input heeft geleverd (zie de brief van 9 september 2014 van de Staatssecretaris van Veiligheid & Justitie aan de Tweede Kamer) en het afronden van de impact assessment, wordt eind mei 2016 het Commissie-voorstel voor herziening van Brussel IIbis verwacht. We moeten afwachten welke aanpassingen voorgesteld worden. Wat de bevoegdheid betreft is het bijvoorbeeld de vraag of, naast de ruime bevoegdheidscriteria (zonder onderlinge rangorde) van artikel 3 Brussel IIbis betreffende de huwelijkszaken, de mogelijkheid van een forumkeuze wordt gegeven. Een andere vraag in het kader van de bevoegdheid (maar dan inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid) is of het peilmoment van artikel 12 lid 1 (betreffende keuze voor bevoegdheid van de echtscheidingsrechter met betrekking tot de ouderlijke verantwoordelijkheid) versoepelt zal worden. Dit peilmoment voor het aannemen van de keuze is het tijdstip waarop de zaak bij de rechter aanhangig wordt gemaakt, zijnde het moment waarop het inleidend gedingstuk wordt ingediend. Dus de ouderlijke verantwoordelijkheid kan bij de echtscheidingsrechter terecht komen of bij gemeenschappelijk verzoek, of, in geval van een eenzijdig verzoek, door overlegging van een instemmende verklaring door de niet-verzoekende ouder (naast andere voorwaarden). Een strikte uitleg maakt aanvaarding tijdens de zitting te laat. En eveneens is onvoldoende voor het aannemen van een keuze dat de verweerder verschijnt zonder de bevoegdheid te betwisten. Zie voor uitleg HvJEU 1 oktober 2014, C-436/13, NJ 2015, 408 en HvJ EU 12 november 2014, NJ 2015, 409.

Een ander onderwerp dat nu actueel is, ligt op het terrein van het internationale huwelijksvermogensrecht en partnerschapsvermogensrecht.  

De Commissie heeft voorstellen gemaakt (2011) voor het IPR huwelijksvermogensrecht/ vermogensrechtelijke gevolgen voor geregistreerde partners. Deze voorstellen, die als één pakket worden behandeld, liggen op het terrein van het familierecht en kunnen alleen met unanimiteit worden aangenomen. Probleem hierbij is dat sommige lidstaten in hun nationale recht het huwelijk voor paren van gelijk geslacht niet kennen en/of het geregistreerd partnerschap niet kennen. Sommige van deze lidstaten willen voorkomen dat hun rechters zich moeten uitspreken over een buitenlands instituut dat in hun eigen rechtstelsel niet voorkomt. Andere lidstaten vrezen dat de toepassing van een dergelijke verordening uiteindelijk leidt tot aanpassing van het eigen nationale familierecht en de daarbij gemaakte rechtspolitieke keuzes, anders gezegd deze staten vrezen dat het op IPR niveau aanvaarden van een buitenlands geregistreerd partnerschap uiteindelijk leidt tot een introductie van het geregistreerd partnerschap op nationaal niveau. In december 2015 lag een compromistekst voor, waarover echter geen unanimiteit kon worden bereikt (Polen en Hongarije stemden tegen). De oplossing wordt nu gezocht in de zogenaamde nauwe samenwerking (de enhanced cooperation). Tot op heden is de nauwere samenwerkingsprocedure drie keer toegepast in de praktijk. De eerste toepassing had betrekking op het toepasselijke recht bij echtscheidingen en heeft in 2010 geresulteerd in een EU Verordening inzake het toepasselijk recht op de echtscheiding (Rome III), waaraan Nederland niet meedoet, maar een groot aantal lidstaten, waaronder België, Duitsland, Frankrijk, Griekenland, Italië, Luxemburg, Oostenrijk, Portugal, Roemenië, Slovenië en Spanje wel. Met betrekking tot de onderwerpen huwelijksvermogensrecht/partnerschapsvermogensrecht hebben inmiddels 17 lidstaten bij de Commissie een verzoek tot nauwe samenwerking neergelegd. Onder deze 17 lidstaten onder meer België, Duitsland, Frankrijk, Luxemburg, Zweden, Italië, Mailta, Griekenland, Kroatië, Finland. Ook Nederland bevindt zich in deze groep. Naar aanleiding van deze verzoeken heeft de Europese Commissie op 2 maart 2016 drie voorstellen gepubliceerd om te komen tot nauwere samenwerking tussen zeventien lidstaten op het gebied van het huwelijksvermogensrecht en geregistreerd partnerschap:

1. een voorstel voor een Machtigingsbesluit, dat is een Raadsbesluit waarbij de Raad de verzoekende lidstaten machtigt om te komen tot nauwere samenwerking, (COM (2016) 108), en

2. voorstellen voor twee verordeningen om uitvoering te geven aan de nauwere samenwerking:

– verordening inzake het huwelijksvermogensrecht (COM (2016) 106), en

– verordening inzake het geregistreerd partnerschap (COM (2016) 107).

Met deze voorstellen komen er in de Europese Unie (althans voor de lidstaten die voor de nauwe samenwerking kiezen) uniforme regels inzake de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen op het gebied van het huwelijksvermogensrecht en de vermogensrechtelijke gevolgen van geregistreerde partnerschappen. Beide verordeningen zijn sekseneutraal geformuleerd en zoveel mogelijk gelijkluidend.Beide voorstellen worden als één pakket behandeld. Andere lidstaten kunnen op een later moment aansluiten, met dien verstande dat zij zich dan bij beide verordeningen moeten aansluiten.

De verwachting is dat dit dossier op de agenda komt van de JBZ Raad van 9 en 10 juni (JBZ: vergadering van de ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken van de EU lidstaten).    

Als het zo ver komt, wat kunnen we dan verwachten, voor het internationale huwelijksvermogensrecht?

  1. Bevoegdheid: een Europees instrument, waar nu alleen nationaal bevoegdheidsrecht geldt (huwelijksvermogensrecht is uitgesloten van Brussel I Herschikt en van Brussel IIbis);

  2. Toepasselijke recht: voor Nederland reeds drie kenbronnen (Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978, Haags Huwelijksverdrag 1905 en Chelouche van Leer). Er komt een vierde bron bij! Hier zal dus goed moeten worden gekeken naar de regeling betreffende het overgangsrecht en naar die welke de verhouding van de verordening tot insternationale instrumenten betreft.

  3. Erkenning en tenuitvoerlegging beslissingen: een Europees instrument, waar geen internationale regelgeving voor was, daargelaten enkele oude bilaterale verdragen die Nederland met een aantal landen in een ver verleden heeft gesloten, zoals het Nederlands-Belgisch Executieverdrag 1925.

Aan deze belangrijke ontwikkeling op het gebied van het internationale huwelijksvermogensrecht (en het partnerschapsvermogensregime), een onderwerp waar het IJI veel over wordt geraadpleegd, zal op de site zeker de komende tijd aandacht worden besteed.

Heeft u nog vragen? Neem dan vrijblijvend contact met Lisette Frohn op via email (l.frohn@iji.nl) of bel het IJI op 070-3460974.

Door Lisette Frohn